De stad Hattem
De stad Hattem of Hattum, vroeger ook Hathem of Hatheijm genoemd, in het latijn Mons Dei, ligt 11 u N van Arnhem, 4 u O ten N van Elburg, 52˚28'30" N.B. 23˚44'5" O.L. aan de grenzen van Overijssel, nabij den IJssel, ter plaatse, waar de Grift, vereenigd met de Evengunne en Middel-Wetering, die uit de Oude-Wetering en de Nieuwe-Wetering voortkomt, als kanaal naar Apeldoorn, voorbij de stad in den IJssel loopt. Het is een klein stadje met oude vervallen muren, dat binnen zijne wallen, eene oppervlakte beslaat van 8 bund. 51 v.r. 28 v.ell. Men telt er 300 h. en ongeveer 1800 inw.
De tijd der stichting van deze stad is even als de oorsprong van den naam, geheel onbekend. Sommigen willen echter, dat zij haren naam ontleent aan de oude Attuaren of Attuariers, die naburen der Chamaven en Bructeren zijn geweest.
Uit een bisschoppelijk schrijven van 1176 wordt het waarschijnlijk dat Hattem, of liever eene met de kerk van Mons Dei vereenigde parochie, vroeger reeds den naam van Godsberg gedragen had. Ook vindt men haar, hetzij onder den naam van Hattem, of onder die van Mons Dei, in onderscheiden stukken vermeld.
Zoo vergunde de Hertog van Braband aan Reinald, Graaf van Gelre, in het jaar 1299 om aan het godshuis Mons Dei, eene jaarrente van 500 pond (225 gulden), uit zijne inkomsten van de Veluwe te verzekeren, en voorts daar aan 100 hoeven lands te schenken, die door het godshuis als vrij eigen goed bezeten zouden worden.
In datzelfde jaar stichtte Graaf Reinald in de stad Mons Dei, voorheen Hattem geheeten, een Gasthuis voor krankzinnigen, en regelt de betrekking, in welke het tot de door hem op te rigten broederschap staan zoude.
In 1306 vinden wij gewag gemaakt van eene vereniging van twee godshuizen, door Reinald, Graaf van Gelre, zijnde St. Catharina te Anhem en Mons Dei.
In 1307 gaf Reinald aan de Godswaard, dat Hattem plagt te heeten, twee Priesters en eenen Leekenbroeder, welke hij op zijne kosten zoude onderhouden.
Bij de geschillen tusschen Reinald en diens zoon, deed Willem, Graaf van Holland, bij rade van leen- en dienstmannen en van Schepenen der steden van Gelre uitspraak, en hierin komt Herderwike en Eijlborch en Hatheijm voor.
Reinald 1, zoon des Graven van Gelre, beloofde in 1520 aan de steden Zutphen, Wageningen, Harderwijk, Elburg en Hattem 1150 pond (867 guld. 50 cents) die zij hem geleend hadden, uit de inkomsten van de tol te Lobede, binnen twee jaren, terug te geven. In de verbondsbrief der steden van het hertogdom Gelre en het graafschap Zutphen van 1 dec. 1545, komt Hattem voor, evenals in den landvrede van 1359. In 1361 verklaarde Agnes, weduwe van Jan van Buckhorst, verzoend te zijn met Edouard, Hertog van Gelre, << om sonderlinge schade willen, den mijne vriende, van den huse van Hattem gedaan >>. Omstreeks dien tijd was de stad en geregtigheid van Hattem het erfgoed van Jan van Hattem, natuurlijke zoon van Reinoud III, Hertog van Gelder, welke in het jaar 1371 overleed. In het jaar 1377 komt Hattem in het stuk van den landvrede voor Willem, Hertog van Gelre en Gulik, gaf in het jaar 1401 den 9 Januarij ten behoeve van de burgers, die binnen de muren der stad Hattem woonden, den Hoenwaard aldaar langs den IJssel gelegen, tot eene gemeene weide.
Hattem is de geboorteplaats van de Krijgs- en Staatsman Herman Willem Daendels, geb. 21 October 1762, overl. 2 mei 1818, als Gouverneur der Nederlandsche bezittingen op de kust van Guinea, na vroeger Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië te zijn geweest.
Het wapen van Hattem bestaat in een schild van azuur, met eenen klimmenden leeuw, onder de staart eene zespuntige ster, alles van goud, bedekt met eene hertoglijke kroon.
Uit:
Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden
bijeengebracht door A.J. van der Aa
Te Gorinchem bij Jacobus Noordduijn, 1844
Informatie: cr.vanhattum@quicknet.nl