De godin van het schaakspel

Iedere schaker kent Caïssa, de beschermgodin van het schaakspel. Naar haar zijn tal van schaakclubs in binnen en buitenland genoemd, maar ook schaakcomputers, schaakwinkels, websites, etc. Kasparov gebruikte haar naam soms: “Caïssa was met mij!” en het eerste Russische computerprogramma dat het Wereld Computer Schaakkampioenschap won (in 1974) heette Kaïssa.
Een kunstzinnige voorstelling van de schaakgodin Caïssa.
Waar komt deze godin eigenlijk vandaan, kun je je afvragen. Hiervoor kunnen we het beste te raden gaan bij H. Weenink, die in de twintiger jaren een artikel schreef over Caïssa, de (vermeende) beschermgodin van het schaakspel.
Henri Weenink (1892 - 1931), was een voortreffelijk partijspeler en begaafd probleemcomponist uit het begin van de 20e eeuw. Hij was in 1931 medeoprichter van de Nederlandse bond van Probleemvrienden. Daarvoor, in 1921, had hij een boek uitgegeven “Het schaakprobleem, ideeën en scholen”, dat hem een zekere vermaardheid zou opleveren.
Wij nemen het artikel over Caïssa hier in zijn totaliteit en onveranderd over. Alleen de spelling is aangepast. Bron: Jubileumboek van het 60-jarig bestaan van schaakclub Caïssa in Hoorn (1982).

“Het schaakspel heeft een beschermgodin, of wil men het bescheidener, een muze, ‘Caïssa’ genaamd. Vele schakers hebben dikwijls van Caïssa gehoord; zij roepen haar aan, wanneer zij in moeilijkheden verkeren, maar bekommeren zich weinig over haar geboortebewijs. Nu moet men daarmee, ook bij meer bekende goden en halfgoden, altijd enigszins voorzichtig zijn, maar men kan toch wel aannemen, dat de een of andere oude Griek hun geboorte op zijn geweten heeft. Bij de studie der Griekse godenleer zal men echter tevergeefs naar Caïssa zoeken; zij is van latere tijd. Wij danken onze muze aan een studentengrap van een latere professor in het Sanskrit: Sir William Jones (1746 - 1794). Als student te Oxford publiceerde deze een gedicht: “Caïssa or de game of chess”. Dit gedicht bevat zeer veel dichterlijke vrijheden, maar de klassieke ontwikkeling van zijn schepper verschaft het een oud Grieks vernisje, zodat men waarlijk menen zou met een navertelde Griekse fabel te doen te hebben.
Sir William Jones
Er bestaan wel oudere schaaklegenden, waarin Jupiter, Mars, Mercurius en andere goden voorkomen, doch Caïssa niet.
De inhoud van ‘Caïssa’ komt neer op het volgende. Een schone bosnimf jaagde in het woud, toen Mars, die in een door tijgers getrokken strijdwagen door de wolken toerde, haar aanschouwde en in liefde ontbrandde. Met de voortvarendheid van een krijgsman steeg hij uit en verklaarde zijn gevoelens. Zij wees Mars af.
Mars kon zich daar zo maar niet bij neerleggen en zijn uiterlijk werd nors en onvriendelijk. Het gedicht moest niet te gauw uit wezen en daarom werd Mars' zielstoestand uitvoerig geschilderd. Tenslotte zocht hij raad bij een oude zeemeermin onder zijn kennissen. De zeemeermin gaf hem de raad zijn krijgshaftig uiterlijk te verbergen en zich te verkleden als een dartel hert, daar Caïssa in haar maagdelijke onschuld meer genegenheid voelde voor zo'n lief dier, dan voor de grimmige krijgsgod. En dan moest Mars zijn strategische kennis maar eens benutten om een onschuldig spel te bedenken, dat het krijgsbedrijf zonder bloedvergieten weergaf. Mars zag daartoe geen kans, maar hij wendde zich tot Euphron, de god der sport en klaagde hem zijn nood. Euphron was specialist in allerlei spelen en slaagde er weldra in een krijgsspel te bedenken, dat naar Caïssa ‘cassa’ genoemd werd (door de Engelsen tot ‘chess’ verbasterd). Er werd bovendien een fraai goud en zilveren bord met bijbehorende stukken gemaakt en zo toegerust kon Mars, als hert verkleed opnieuw zijn geluk beproeven. De krijgslist slaagde en toen Mars Caïssa het schaakbord vereerde en zijn hertenpakje uittrok, werd de nimf zo geroerd door dit bewijs van hardnekkige liefde, dat zij zich gewonnen gaf.
Zo ontstond de schaakgodin ‘Caïssa’. Wellicht zal de meerdere bekendheid van Jones‘ gedicht haar de klassieke luister ontnemen, maar in ruil daarvoor is haar doopceel gelicht en weten de schaakspelers voortaan wie zij aanroepen, wanneer zij zeggen: “Caïssa, sta mij bij!”.”

Tot zover H. Weenink. Zij die het buitengewoon lange gedicht uit 1763 van Sir William Jones in het Engels willen lezen, kunnen het: hier vinden. Ik wens ze sterkte. Overigens, waarom zou een godin die door een Engelsman is bedacht minder echt zijn dan een godin die door Grieken is bedacht...
Illustratie uit het boek
van Sir Williams Jones,
uitgegeven te Londen
in 1810.

terug